Als ik op vakantie ga dan logeert mijn kat cointreau bijna altijd bij iemand. Dat is zeer bewust. Ik liet hem deze zomer eens een week thuis met iemand die dagelijks langskwam en het beest had heel de living getrashed. Niet omdat de oppas het niet goed aanpakte, maar omdat cointreau gewoon een kat is die niet zonder aandacht kan. Het is een echte flodderkat en ook de reden waarom ik hem liever niet buiten laat bij buren. Er bestaat een erg grote kans dat heel de buurt verliefd op hem wordt en dan zie ik hel nooit meer terug. Daarom logeert hij dus altijd bij een vriendin, An. En An, die is ook stekezot van hem.
Momenteel ben ik weer op trip en toen ik gisteren plots Cointreau op de instagramstory van An zag verschijnen met als bijschrift: de allerliefste kat van de hele wereld op logement. Toen gebeurde er iets wat ik in functie van cointreau nog nooit had ervaren. Ik werd overmand door een gevoel van trots. Zoals ouders ook hebben als er op het rapport van hun kind staat dat het zo een behulpzame knaap is. Dat gevoel dus.
Ik zie mijn kat natuurlijk graag, hij is lief en aanhankelijk en knuffelbaar. Liefst op de meest ondenkbare momenten. Maar sinds ik tien dagen verplichte ophokplicht onderging wegens the c-word is onze band alleen nog sterker geworden. Katten zijn geen hyperintelligente wezens natuurlijk.Hij heeft niet door dat wij in een pandemie zitten en dat die mondkapjes niet normaal (of intussen wel?) zijn. Maar hij had natuurlijk wel door dat er iets was. Dat ik niet in mijn normale doen bleek en dat ik veel lag te slapen op mijn zetel. Hij erbij, lekker knus. Heerlijk vond ik het. Ondanks dat hij weinig kon doen, deed hij net heel veel.
Hij is mijn beste vriend, zei ik hem regelmatig. Een deugniet, maar mijn beste deugniet, mijn alles.
Op een bepaald moment vroeg ik mezelf af of alles nog op een rijtje zat in mijn kop. Of ik niet begon door te slaan in mijn onvoorwaardelijke liefde voor een huisdier. Dus ik ging bij wijze van spreken op onderzoek uit.
De trotsheid waarmee dierenbaasjes over hun “kindje” praten werkt aanstekelijk
Toeval wil dat ik onlangs twee honden zag. Telkens met een ander baasje. De eerste was een asielhond geweest. Zo een type waar mijn moeder zaliger (en doodsbang van honden) altijd over zei dat ze levensgevaarlijk waren. Maar dat is natuurlijk niet en hangt af van baasje tot baasje. In dit geval ben ik zeer zeker dat het baasje geen levensbedreigende dingen zal aanleren aan zijn hond. Maar dat ter zijde. De hond liep van links naar rechts aan alles te ruiken en haar baasje, die was apentrots op zijn hond.
De tweede hond was een grote jachthond die met een koppel vrienden op het strand aan het dollen was. Al sinds ik de hond ken en het beestje nog een puppy was, weet ik dat de baasjes elke keer dolenthousiast waren als de hond weer een of ander nieuw dingetje had geleerd. Pappies zijn niet de makkelijkste dieren, maar het enthousiasme waarmee de baasjes over hun hondje vertelden, werkte wel erg aanstekelijk.
Er moet toch iets bestaan als onvoorwaardelijke liefde voor dieren, dacht ik bij mezelf. En dus vroeg ik aan andere huisdierhouders waarom ze hun dier zo graag zien. Er waren veel uiteenlopende reacties. Maar de rode draad was wel overal gelijk. De liefde van een huisdier is wederzijds. De liefde is ontegensprekelijk aanwezig. Iemand vertelde dat haar kat een even bijzonder karakter heeft als zij en dat ze samen al heel wat watertjes doorzwommen hadden. Iemand anders zei dat je altijd op je diertje kan rekenen, ongeacht wat.
Een huisdier is altijd enthousiast om je te zien, knuffelt graag en in tegenstelling tot mensen hoefde je er de laatste jaren geen fysieke afstand van te houden.
Huisdieren zijn schattig, lief, halen stoten uit waar je achteraf anekdotisch over kan vertellen. Huisdieren zijn de max.
Ik herinner me nog goed dat ik een paar jaar geleden op straat een dakloze man tegen kwam met duidelijk een glas teveel op. Hij had een ongelooflijk lieve hond mee die warm tegen hem aan lag gekropen. De liefde spatte ervan af.
Is dat goed voor dat huisdier? Dat weet ik niet, maar zo zag het er wel uit. En de hond was ontegensprekelijk belangrijk voor de dakloze man. Want een dier oordeelt niet. Of je nu rijk, arm, dronken of dakloos bent. Een dier velt geen judgement en daarom is hij van levensbelang. Het is ook niet voor niks dat men bij nachtopvangen plaats voorziet om je hond mee te nemen.
Ik prijs mezelf gelukkig om omringd te zijn door vele vrienden. Maar zo vanzelfsprekend is dat niet. Bovendien is er zelfs tussen al die mensenvrienden nog altijd plaats voor de onvoorwaardelijke vriendschap, tussen mens en dier.
